CINEMATEK: Daughters of Darkness

Blue Underground

Blue Underground

“I feel it in my bones, the night is dying…”

Wie deze woorden gehijgd wil horen door de meest glamoureuze lady vampire uit de Belgische filmgeschiedenis, mag zich weldra naar CINEMATEK haasten. Daar wordt de cultklassieker Daughters of Darkness op 17 oktober vanonder het stof gehaald, en dat in aanwezigheid van de regisseur zelve. Supercalifragilistic kon niet wachten en ging nu al op theebezoek bij de man die op het internet wordt aangeprezen als a master of the perverted Gothic horror film. Een reflectie – en promotie! – die yours truly met anekdotes van meneer Kümel kon aandikken.

Blue Underground

Het moet ergens in ’71 zijn geweest dat de Vlaamse cineast Harry Kümel (origine: Antwerpen) de loge betrad van Delphine Seyrig in de Parijse Opera Garnier. Harry had in ’68 zijn debuutfilm Monsieur Hawarden ingeblikt, een vreemde travelogue over een gegoede dame die zich als man vermomt om soelaas te bieden aan een pijnlijke herinnering. Delphine was op dat moment de ongekroonde koningin van de moderne art cinema en had zich reeds laten regisseren door groten zoals Alain Resnais, François Truffaut, Joseph Losey en Luis Buñuel. Of Delphine Harry’s film had gezien, mag Joost weten. Veel maakt het niet uit. Harry’s volgende langspeler zou immers heel anders worden, en uitgebreid flirten met de sexploitation-trend die op dat moment door het filmlandschap waaide. Premisse voor dat vehikel was de figuur van Elisabeth Báthory, de Hongaarse bloedgravin wier geschiedenis Harry uit een historisch magazine had opgeduikeld. Of Delphine misschien gestalte wou geven aan de vampierlegende om badstad Oostende met haar charmes onveilig te maken? Et pourquoi pas – ze was weg van het script. De productie ging van start in het gezelschap van een Duitse schone die Kümel voor het eerst on screen had gezien in een Brusselse sekscinema, en een blonde stoot met een achtergrond in ‘maple syrup porn’ (de ludieke benaming voor de ondeugende niemendalletjes die Canada in de sixties produceerde).

Blue Underground

Daughters of Darkness maakt heel wat los bij tal van cinefielen. Als we Kümel mogen geloven, heeft de film zijn weergaloze reputatie te danken aan de bizarre tegenstelling die hij propageert. Wat moet je immers met een steractrice die zo wellustig aanpapt met de codes van de Europese trash cinema? Het is inderdaad best kicken om Delphine zo te zien opgaan in een rol die eigenlijk in bad taste zou moeten zijn voor een vrouw van haar kaliber, maar die ietwat ironische knipoog is lang niet de enige verdienste die de film siert. Ook verklaart hij geenszins de begeestering die velen bij het bekijken voelen. Daughters of Darkness ís een genrebeest, maar dan wel een van het allooi waarin alle ‘platte’ prikkels die het genre dicteert (Gratuitous nudity! Een geseling van de Canadese stoot, gratis en voor niets!) naadloos zijn ingebed in een stijl die haast too classy for words is. En laat klasse nu net datgene zijn wat meestal ver zoek is in de output van de doorsnee exploitation-cineast (geen kwaad woord over de exploten van een Jesús Franco – maar ‘classy’ is geen epitheton dat zijn films verdienen).

Blue Underground

Veel seks zit er overigens niet in Daughters of Darkness. De film haalt zijn sensualiteit eerder uit de zinnelijke kleuren die Kümel er zo welwillend tegenaan gooit, of de manier waarop Delphines bloedrode nagels verleidelijk over het velours van een fauteuil dralen of gemoedelijk de lokken van een van haar aimé(e)s aaien. Wanneer ik Harry wijs op de verdienstelijke esthetische kwaliteiten van zijn film en hem complimenteer over de maniëristische kleurcode die hij voor Daughters hanteerde – het palet van de film werd uitsluitend in rood, zwart en wit bedacht – krijg ik een verontwaardigde blik. Ja, hoe durf ik hem eigenlijk van estheticisme beschuldigen? Maniëristisch? Alsjeblieft. Een mens moet natuurlijk weten waar hij zijn camera zet, maar aan dergelijke ‘esthetische’ overpeinzingen – je zou haast denken dat het woord een slechte smaak in ’s mans mond nalaat – besteedt hij liever geen tijd. Zulke dingen komen intuïtief.

“Een actrice zoals Seyrig moet je ook niet regisseren – die ademt charisma.”

Blue Underground

Blue Underground

Nou moe, en dat voor een cineast die in onze contreien het best de vergelijking met Josef von Sternberg kan doorstaan en helemaal lijkt op te leven naar het credo dat die laatste wordt toegeschreven:

“I care nothing about the story, only how it is photographed and presented.”

Heeft hij dan echt niets met het werk van Josef? En boetseerde hij het personage van Delphine niet verdacht hard naar fetisjactrice Marlene Dietrich? Tuurlijk wel. Harry bewondert de artificialiteit van von Sternbergs melodrama’s. Dát is cinema. Maar voor de rest heeft hij zich niet laten leiden door de stilistische paradigma’s van andere regisseurs. Als we dan toch naar inspiratiebronnen moeten vissen: de sfeer en setting van Daughters hebben we te danken aan de schilderijen van Leon Spilliaert, die illustere inwoner van Oostende. En de scène waarin Delphine in het Thermae Palace Hotel arriveert, is natuurlijk recht uit Angel (37) van Ernst Lubitsch gegapt. Vaneigens.

spilliaert-6873-lAnd yet – dat een estheet een haast fysiek genot ervaart door de kostuums die deze film etaleert, kan en zal ik jullie op een blaadje meegeven. Ook over dit punt blijft Harry zijn pragmatische zelf. De aankleding van de vampiervrouwen moet de decadente luxe van de Hollywood-sterren uit de jaren ’20 en ’30 evoceren. Iconen zoals Dietrich zijn onsterfelijk. Het pagekapsel dat Kümel Andrea Rau aanmeet en we meteen met Louise Brooks associëren, eeuwig. Het zijn zulke ingrepen die het idee van de vampier op originele wijze abstraheren en de dames toch als creatures of the night coderen, maar slagtanden of bloeddoorlopen ogen overbodig maken. In Daughters krijg je class, sass en een zilveren turtleneck jurk met lovertjes. Dat is natuurlijk passend voor een personage zoals Báthory, die niet enkel the fairest maar ook the vainest of them all is, en potentiële slachtoffers louter op basis van hun behaaglijke verschijning uitkiest:

“You’re both so perfect. So good-looking. So sweet.”

Dat die preoccupatie met uiterlijk vertoon en decorum soms ook op ludieke wijze kan worden ingezet, bewijzen de scènes waarin de gravin het belang van etiquette onderstreept. Allusies op de gruwelijke moorden die zij en haar geliefde op hun geweten hebben, negeert ze terstond met een ontwapenende glimlach en de aanmoediging om toch alsjeblieft maar terug te komen op het voorgaande gespreksonderwerp. Grappig genoeg lijkt ze het meest ontsteld wanneer de jongeman in het gezelschap haar boosaardigheid zat is en verbeten beslist dat hij – shock, horror! – die avond toch maar niet met haar zal dineren. Poor Countess Báthory. Manieren hebben ze hier ook niet.

Van het feit dat Harry anno 2014 graag een vervolg aan Daughters zou breien, maakt hij geen geheim. Hij mikt alvast hoog. Delphine vervang je immers niet voor iemand minder dan “een Julianne Moore“. En waar vind je vandaag de dag nog goede scenaristen? Het talent van Ian McEwan heb ik niet, but I’d sure like to give it a go.

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...
TAGS: , , , , , , , , , , , , , , ,

Comments are closed.